Rijksmuseum Twenthe

Wolvecamp & De Weerd - Geestdrift voor de schilderkunst

21 mei t/m 15 oktober 2017 - Vanaf dit voorjaar organiseert Rijksmuseum Twenthe een overzichtstentoonstelling van het werk van Theo Wolvecamp (1925-1992) en Eef de Weerd (1926-1989): twee schilders uit Hengelo die op de golven van de naoorlogse vernieuwingsdrift hun artistieke opmars maakten. Hun schildercarrières namen soms verschillende routes – Theo vertrok naar Amsterdam en Parijs en werd lid van de CoBrA-beweging – maar steeds kruisten hun paden in Hengelo. Aan de hand van ruim veertig schilderijen vertelt RMT het verhaal van twee buurjongens uit Twente die liever schilderden dan voetbalden. Het is het verhaal van een levenslange vriendschap waarvan het cement werd gevormd door een ongekende geestdrift voor de schilderkunst.

Krabbenbosweg

Eef de Weerd wordt geboren in Zutphen en verhuist als kleine jongen naar de

Krabbenbosweg in Hengelo waar hij Theo Wolvecamp leert kennen. Ze worden bijna onmiddellijk vrienden en vinden elkaar in hun interesse in tekenen, iets wat in hun omgeving slechts gezien wordt als een kinderbezigheid. Hengelo is een industriestad met weinig oog voor de schone kunsten. Toch krijgen ze allebei de kans om zich in het tekenen en schilderen in olieverf te oefenen. Grootse plannen hebben ze. Maar voordat ze ook maar echt iets kunnen ondernemen breekt de Tweede Wereldoorlog uit. Hun wegen scheiden. Theo duikt onder en Eef wordt tewerkgesteld in Duitsland, iets wat diepe sporen bij hem achterlaat.

 

CoBrA

Zo goed en zo kwaad als het kan pakken ze na het einde van de oorlog hun leven weer op en besluiten naar de kunstacademie in Arnhem te gaan. Dit brengt hen echter niet wat ze ervan verwachten. Eef gaat in militaire dienst en dient meer dan drie jaar in Nederlands-Indië, wat nieuwe trauma’s veroorzaakt. Na zijn terugkeer in 1949 begint hij een opleiding aan de pas opgerichte AKI in Enschede, maar eind jaren vijftig krijgt hij een geestelijke inzinking en wordt hij opgenomen in een kliniek in Wolfheze. Theo vertrekt naar Amsterdam, waar hij in contact komt met de kunstenaars van de CoBrA-beweging en goed bevriend raakt met Karel Appel. 


Experimentele groep Holland (voorloper CoBrA). Zittend (v.l.n.r.): Theo Wolvecamp, Corneille, Constant, Jan Nieuwenhuys, Eugène Brands en Anton Rooskens. Staand: Karel Appel, Jan Elburg en Gerrit Kouwenaar.


Amsterdam en Parijs

De periode in Amsterdam heeft een bevrijdende werking op Theo. Het kunnen praten met andere kunstenaars over kunst, het bezoeken van tentoonstellingen, het zien van het werk van bekende kunstenaars heeft grote uitwerking op Theo en zijn manier van werken. Na de ontbinding van de CoBrA-beweging in 1953 vertrekt hij samen met onder anderen Karel Appel naar Parijs. Deze stad brengt hem echter niet veel goeds. Een periode van depressie en overmatig alcoholgebruik volgt en het is Appel die hem aanraadt terug te keren naar Twente. In Hengelo trekt hij zich terug in zijn huis en atelier en werkt.


Stevige discussies

Ook Eef is inmiddels terug in Hengelo. In 1973 keert hij terug naar het huis aan de Krabbenbosweg. Het huis van Eef aan de Krabbenbosweg wordt een centraal punt in de kunstenaarswereld in Hengelo. De vriendschap tussen Eef en Theo duurt voort maar is niet altijd zonder problemen. Zowel Theo als Eef zijn op zijn tijd agressief en opvliegend en hun stevige discussies die bijna altijd over kunst gaan, monden soms uit in langdurig ruzies. Een van deze ruzies gaat over CoBrA. Volgens Theo moet Eef veel meer op deze manier gaan werken, iets wat Eef absoluut niet wil, hij duldt geen inmenging. Het geeft een verschil in werken tussen de twee aan. Theo staat meer open voor invloeden van buitenaf, voor het werk van andere kunstenaars wat zijn beeldtaal soms in hoge mate bepaalt. Eef wil enkel van binnenuit werken en ervaart alleen dat als authentiek. 


Drang om te schilderen

Hun leven speelt zich af in het pretentieloze Hengelo. Het betekent echter niet dat ze

niet op de hoogte zijn van wat zich afspeelt in de kunstwereld. Theo heeft nog

regelmatig contact met Appel en zowel Eef als Theo reizen door Europa. Samen

vertrekken ze voor een periode naar Denemarken en ook Parijs wordt niet vergeten.

Maar het echte grote succes blijft uit. Zouden zij meer erkenning hebben gekregen en als zij niet in Hengelo waren gebleven? Hadden ze zich in een stad als Amsterdam met een gunstiger artistiek klimaat meer kunnen ontplooien? Vonden Eef en Theo zelf ook dat er misschien meer had ingezeten? Of zeggen deze vragen vooral iets over degenen die ze opwerpen? Want eigenlijk wensten ze maar één ding en dat was ongestoord te kunnen werken. Want naast Hengelo was de mateloze drang om te schilderen een constante in hun leven.