Rijksmuseum Twenthe - Het kunstmuseum van Enschede

Tunnelvisie

Gerard de Lairesse was de grootste kunstenaar van zijn tijd, maar als we vandaag aan de Hollandse Gouden Eeuw denken, denken we vooral aan het burgerlijk realisme Rembrandt en Vermeer. Hoe kan het dat deze sterschilder van het laatste kwart van de 17de-eeuw zo in de vergetelheid is geraakt? 

Door Josien Beltman


Beroemd, bejubeld, verguisd en vergeten. Dat is het leven en de waardering van Gerard de Lairesse in een notendop. jonge, ambitieuze schilder vluchtte hij halverwege de 17de eeuw uit Luik vanwege een gebroken trouwbelofte. Hij vond uiteindelijk zijn toevlucht in Amsterdam, het culturele centrum van de Republiek. Daar maakte hij snel carrière, culminerend in prestigieuze opdrachten voor de Amsterdamse elite en vorsten als koning-stadhouder Willem III. Totdat het noodlot in 1690 toesloeg en hij bijna van de een op de andere dag blind werd. Schilderen ging niet meer. Om rond te kunnen komen richtte De Lairesse zich vanaf dat moment op het verspreiden van de door hem gepropageerde classicistische kunsttheorie. Navolging van de klassieken en idealisering van de werkelijkheid, daar stond De Lairesse voor. Tot ver in de 18de eeuw bleven zijn schilderkunst en boeken populair en invloedrijk, maar langzaam maar zeker kwam er een kentering in de waardering van zijn werk. Er veranderde iets. Men ‘lustte’ zijn ambitieuze en geïdealiseerde historiestukken niet meer. Terwijl in de 19de eeuw de reputatie van Rembrandt tot grote hoogten steeg, zakte die van De Lairesse steeds verder weg. Het toenemend nationalisme uit die periode speelde daarbij een belangrijke rol: het verheven classicisme van De Lairesse werd steeds meer als on-Nederlands gezien met alle gevolgen van dien. De afkeer van zijn kunst raakte steeds meer verstrengeld met de afkeer van zijn persoon. De genadeklap kwam begin 20ste eeuw van Frederik Schmidt-Degener, destijds directeur van het Rijksmuseum. ‘In de aapachtige gestalte huist de ziel van een aterling’, schreef hij over De Lairesse. Karaktermoord. Het was over en uit met De Lairesse. De enige bekendheid die zijn naam vandaag de dag nog heeft, is ontleend aan de De Lairessestraat in Amsterdam. En hoewel kunsthistorici de laatste decennia hebben gepoogd De Lairesse te rehabiliteren, is voor het grote publiek de Hollandse Gouden Eeuw vooral synoniem met het burgerlijk realisme van Rembrandt en de zijnen. 


Ambitieus en succesvol

En dat terwijl het zo veelbelovend begon in 1665, het jaar waarin Gerard de Lairesse in Amsterdam arriveerde. Gewapend met een groot talent en de ambitie om alle schilders uit zijn tijd te overtreffen, waagde hij zich in de artistieke arena van de Amsterdamse kunstwereld en wist hij de Amsterdamse historieschilderkunst eigenhandig te vernieuwen. Gerard de Lairesse had een missie: hij wilde zich positioneren als een historieschilder in de Italiaanse traditie van het ‘recht antiek’. Als voorbeeld voor zijn historieschilderkunst – schilderijen met verhalende onderwerpen uit de Bijbel en klassieke mythologie, en allegorieën – dienden antieke sculpturen uit de oudheid. Want de schoonheid van de natuur was nooit beter weergegeven dan in deze beelden, aldus de aanhangers van de classicistische kunsttheorie. Dit resulteerde in ambitieuze schilderijen waarin alleen de mooiste elementen uit de natuur waren samengebracht, en een gepolijste schilderstijl die wordt gekenmerkt door heldere contouren en afwezigheid van zware licht-donker contrasten. De Lairesse positioneerde zich hiermee nadrukkelijk als de ideologische tegenpool van Rembrandt, die zijn onderwerpen juist toegankelijk wilde maken door ze schijnbaar realistisch te schilderen en te plaatsen in een – voor de eigentijdse beschouwer – herkenbare omgeving. De geïdealiseerde schoonheid van De Lairesse tegenover de poëzie van het alledaagse van Rembrandt. Het gepolijste en heldere tegenover het ruwe en vage.

De artistieke koers van De Lairesse legde hem geen windeieren. Door zijn toedoen beleefde de historieschilderkunst in Amsterdam een glorieuze nabloei en vele, prestigieuze opdrachten vielen hem ten deel. Met zijn classicistische esthetiek werd hij al snel de favoriet van de mondaine elite. Hij decoreerde tal van Amsterdamse grachtenhuizen met indrukwekkende plafondstukken, zoals de woning van burgemeester Andries de Graeff. Daarnaast maakte hij schilderijen voor Paleis Soestdijk en het Binnenhof en kreeg hij de eer om de orgelluiken voor de Westerkerk te decoreren. Eigentijdse kunstenaarsbiografen waren vol lof over De Lairesse en roemden de ‘opmerkelijke superioriteit van zijn kunst en de eerlijkheid van zijn moraal’. Ook zijn kunsttheoretische verhandelingen, waaraan hij ging werken nadat het noodlot van de blindheid hem had getroffen, vonden veel weerklank. De boeken van De Lairesse en de daarin beschreven ‘regels van de kunst’ bleven tot in de vroege 19de eeuw invloedrijk bleven aan de tekenacademies – bolwerken waar de classicistische kunsttheorie goed gedijde. 


Tegengeluiden

Maar de superioriteit van het door De Lairesse gepropageerde classicisme was niet onomstreden. Veel theoretici mochten vinden dat de historieschilderkunst ver verheven was boven ‘realistische’ genres zoals het landschap, stilleven en genrestuk, halverwege de 18de eeuw begonnen er ook andere geluiden door te klinken. Vooral vanuit Engeland en later Duitsland kwam er kritiek op het academische schoonheidsideaal. In plaats van op rationele wijze de natuur te imiteren en verbeteren, zou de kunstenaar zich moeten laten leiden door de redeloze kracht van de natuur. Hierin zijn de eerste aanzetten zichtbaar tot een nieuw kunstbegrip, waarbij het niet draaide om een technisch perfecte uitvoering en het zo goed mogelijk navolgen van ‘de regels van de schoonheid’, maar om de esthetische kracht van het oorspronkelijke. Met deze nieuwe, romantische kunstopvatting werd de grote breuk aangekondigd met het klassieke kunstbegrip, dat enkele eeuwen de kunsten in Europa had bepaald.

En dat was goed nieuws voor de Hollandse schilderkunst van de 17de eeuw. Of beter gezegd: voor die elementen binnen de Hollandse schilderkunst die men later als typisch ‘Hollands’ zou gaan aanmerken. Typisch Hollands vond men vooral de traditionele genres van landschap, stilleven en portret. Genres die door classicistische critici werden afgedaan als anti-intellectueel, aards en laag-bij-de-grond, maar die in de loop van de 18de eeuw steeds meer waardering kregen, juist vanwege hun ‘eenvoud’ en vermeende ‘eerlijkheid’.

Ondanks deze tendens werd Gerard de Lairesse gedurende de 18de eeuw nog op handen gedragen door vooraanstaande critici in binnen- en buitenland. Maar zoals gezegd waren er ook tegengeluiden. Zo schreef de Franse filosoof Denis Diderot omstreeks 1765 dat de schilderijen van De Lairesse weliswaar mooi zijn, maar dat de afgebeelde onderwerpen zo duister blijven dat niemand er iets van begrijpt. Juist langs de weg van de realistische uitbeelding van ‘eerlijke’ en ‘eenvoudige’ onderwerpen kon de beschouwer getroffen worden op die plek in het menselijk lichaam waarop de kunstenaar zich voortaan zou moeten richten: het hart. 


Hollandse schilderschool

De kunstenaar moest zich dus niet langer richten op de rede, maar op het gevoel. Deze romantische kunstopvatting werd in de 19de eeuw steeds dominanter, met een toenemende populariteit van de 17de-eeuwse landschappen, stillevens en genrestukken als gevolg. Zo schreef de 19de-eeuwse kunstcriticus Jeronimo de Vries ‘dat de Nederlandse schilders van het kleinste of onaanzienlijkste soort schepseltje altijd nog een bijzonder schilderij wisten te maken […] door de sterke persoonlijke beleving die doorstraalt in de nauwkeurige weergave van de natuur’. Maar bij die toenemende waardering speelde nog een andere factor een rol: het nationalisme. In de 19de eeuw zijn overal in Europa nationalistische tendensen te bespeuren. Dat gold ook voor Nederland, waar men zich ging oriënteren op het politieke en culturele verleden. De roemrijke Gouden Eeuw werd aangewend als een inspiratiebron voor de toekomst: in 17de-eeuwse genreschilderijen, waar de Hollanders zo in uitblonken, herkende men volkseigen elementen als eenvoud, ijver en eerlijkheid die de Republiek ooit zoveel welvaart hadden gebracht. Als men vanaf dat moment spreekt over de ‘Hollandse School’, doelt men in feite op de realistische genres met Rembrandt als het grote, geniale boegbeeld.

Want terwijl De Lairesse uit de gratie raakte, begon Rembrandt aan zijn opkomst als nationale held. Een status die werd bevestigd met de oprichting van zijn standbeeld in 1852 op het huidige Rembrandtplein. Ruim dertig jaar later, in 1882-84, verscheen de publicatie Het land van Rembrand van Conrad Busken Huet. In deze studie over het levensgevoel van de Gouden Eeuw voert hij Rembrandt op als hét gezicht van de nationale culturele identiteit. Niemand kon meer om zijn status heen. De Lairesse moest het ondertussen ontgelden. Verschillende invloedrijke kunstcritici brandden zijn werk tot aan de grond toe af en hielden hem zelfs persoonlijk verantwoordelijk voor de artistieke neergang die er in hun ogen had plaatsgevonden na het overlijden van Rembrandt in 1669.

Maar voor De Lairesse moest het ergste nog komen. De critici uit de eerste helft van de 20ste eeuw waren schaamteloos in hun vernietigende oordeel. Evenals bij hun 19de-eeuwse voorgangers is er in hun kritiek steeds een relatie tussen het negatieve oordeel over De Lairesses werk en het ‘on-Hollandse’ karakter daarvan. Zo sprak toenmalig Rijksmuseumdirecteur Schmidt-Degener in 1919 smalend over De Lairesses ‘internationale decorateursstijltje’ en noemt hij hem een ‘nijdassige Waal’. ‘Een vreemdeling die op en top wist hoe er in Holland geschilderd moest worden.’ Zijn xenofobische retoriek doet vanuit ons huidige perspectief ongemakkelijk aan. Van hetzelfde laken een pak is de opmerking van de letterkundige en hoogleraar Gerard Brom, die in 1957 schreef dat De Lairesse ‘door een academische kunst in te leiden (Groot Schilderboek) de leer van Carel van Mander herstelde, die lijnrecht tegen onze volksaard inging’.  


Eerherstel

Zo kon het dus gebeuren dat de grootste schilder van zijn tijd drie eeuwen later compleet verguisd en vergeten was. De tegenstelling tussen realisme en idealisme, die in de 17de eeuw nog vooral een kunsttheoretische tegenstelling was, werd in de loop der tijd steeds meer een tegenstelling tussen Nederlands en on-Nederlands. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een vernauwde blik op de Hollandse Gouden Eeuw. Een blik die tot op de dag van vandaag bestaat en die de laatste jaren verder is gecultiveerd. Het Rijksmuseum Amsterdam deed met de tentoonstelling Late Rembrandt en de gedeeltelijke aankoop van Rembrandts portretten van Marten en Oopjen – al dan niet bedoeld – een schep bovenop de Rembrandt-cultus. Hoewel voormalig directeur Wim Pijbes iedere suggestie van nationalisme krachtig van de hand wees (‘Rembrandt is internationaal’), heerste onmiskenbaar het gevoel over Rembrandt als ‘onze’ kunstenaar. De voorkeur voor het realisme en het alledaagse, voor Rembrandt en Vermeer, zit in ons zelfbeeld genesteld. De ‘on-Hollandse’ Gerard de Lairesse past niet in dat plaatje. Maar kunnen we dit niet van een andere kant bekijken? De Lairesse was in zijn de tijd de meest gewilde schilder van Amsterdam: de halve grachtengordel was van zijn werk voorzien. We zouden evengoed kunnen zeggen dat het internationale aspect dat De Lairesse inbracht juist een kenmerk is van de Hollandse 17de-eeuwse schilderschool. De Hollandse cultuur werd – en wordt – immers ook gekarakteriseerd door internationale elementen.

Aan het begin van de 21ste eeuw zijn de meeste kunsthistorici het erover eens dat De Lairesse een vooraanstaande plek verdient in de canon van de Hollandse schilderkunst. Gregor Weber, Hoofd Beeldende Kunst van het Rijksmuseum en nota bene samensteller van Late Rembrandt, noemt De Lairesse ‘de belangrijkste kunstenaar naast Rembrandt’. Maar het nationale zelfbeeld nuanceren blijkt lastiger. Met deze tentoonstelling wil Rijksmuseum Twenthe aan een breed publiek het andere gezicht van de Gouden Eeuw laten zien. We willen onze oogkleppen afwerpen en het internationale karakter van de Nederlandse schilderkunst tonen. We willen laten zien dat onze kunstgeschiedenis een constructie is, die is gevormd door tijd- en plaatsgebonden opvattingen over kunst, schoonheid en volksaard in wisselwerking met maatschappelijke en politieke omstandigheden.

Nederland is niet alleen het land van Rembrandt, het is ook het land van de internationale invloeden. Het land van Gerard de Lairesse. Eindelijk! De Lairesse.