Rijksmuseum Twenthe - Het kunstmuseum van Enschede

Over waarheid en waardering

De Minister van OCW vroeg de museale sector een onderzoeksagenda te schrijven. Het resultaat krijgt ze aangeboden tijdens het Museumcongres van oktober 2014. Ter voorbereiding werd ik gevraagd een essay over 'de belevingswaarde' van musea te schrijven. Het resultaat vindt u hieronder.

Waartoe dienen musea in de 21e eeuw?

Wie nadenkt over een onderzoeksagenda voor musea moet weten waartoe musea dienen. Waarom bestaan zij nog? Waarom sluiten we ze niet? Pas als je een antwoord hebt op de vraag naar de bestaansreden kun je antwoord geven op de vraag wat zij moeten doen en welke kennis er nodig is en dus welk onderzoek gedaan moet worden. Gedurende het grootste deel van de twintigste eeuw hoefde de vraag naar de bestaansreden nauwelijks gesteld te worden. Het was duidelijk. Musea dienden een hoger doel. Musea brachten de samenleving verder en ze vervulden een belangrijke rol in het beschavingsoffensief. De nieuwe eeuw heeft verandering gebracht in die vanzelfsprekende en nauwelijks omstreden redenering. Opeens worden er vraagtekens geplaatst bij nut en noodzaak van musea. Door de samenleving en door de politiek. Musea en culturele instellingen moeten onder woorden brengen wat ze doen, waarom ze het doen en wat het rendement "van onze belastingcenten" is. Musea schrikken zich rot, sommige denken dat het de gevolgen van een populistische retoriek zijn. Andere proberen dieper door te denken en zoeken naar de onderliggende redenen. Populisme, zo redeneren ze, kan alleen gedijen als er een voedingsbodem is.

In de afgelopen paar jaren is veel nagedacht over de betekenis en de waarde van musea. De Nederlandse Museumvereniging heeft een dappere poging gedaan om de "vijf kernwaarden" te benoemen die samen de maatschappelijke betekenis van musea vormen: collectiewaarde, verbindende waarde, educatieve waarde, belevingswaarde en economische waarde. Mooie begrippen en een beleidsmaker heeft er een handige kapstok aan. Maar, als ik eerlijk ben, bevredigen die waarden me niet echt. Collectiewaarde... wat is dat? Waaraan ontlenen die potten, pijpen en schilderijen die waarde dan? Hoezo verbindingswaarde? Doet sport dat niet net zo goed of zelfs beter? Educatieve waarde? Wat vertellen we die scholieren dan? En waarom? Zo kan ik nog wel even doorgaan. Die vijf kernwaarden zijn mooie begrippen maar niet scherp en ik zie er de echte bestaansgrond van musea niet in terug. Als we die bestaansgrond niet benoemen dan leggen deze waarden weinig gewicht in de schaal. Ze ontlenen dat gewicht aan een meer fundamentele maatschappelijke waarde. De vraag is: welke is dat?


De wetenschappelijke oorsprong van musea

Laten we een poging ondernemen die vraag te beantwoorden door naar de geschiedenis van musea te kijken. Musea zijn voortgekomen uit collecties en die collecties werden om twee redenen verzameld: de wil om een bepaald onderwerp te bestuderen en machtsvertoon. Dat punt van machtsvertoon is eigenlijk de enige constante door de hele geschiedenis van musea. De eerste collecties werden verzameld door vorsten en edellieden en nog altijd zijn de belangrijkste tempels van onze cultuur ware magneten voor de machtigen der aarde. Voor dit verhaal is het echter belangrijker te kijken naar de dingen die zijn veranderd. In de 18e en vooral de 19e eeuw ontstonden vooral in Europa en de Verenigde Staten vele nieuwe musea. Meestal was de behoefte van een wetenschapper of genootschap of de particuliere obsessie van een welgestelde burger de drijvende kracht achter de verzameldrift. Die verzamelingen werden netjes geordend en in vitrines gezet of aan de wand gehangen. Daardoor kon je de objecten beter vergelijken en bestuderen. Musea hebben enorm bijgedragen aan de professionalisering van kennis en wetenschap, vooral in de 19e eeuw. Maar met het voortschrijden van de wetenschap en van de techniek werd geleidelijk de behoefte om al die objecten voortdurend onder handbereik te hebben voor de wetenschap minder groot. Na verloop van tijd hadden we die opgezette vogels en andere dieren wel voldoende vergeleken en gedetermineerd. De opkomende fotografie en reproductietechnieken maakten het onnodig om alle schilderijen voortdurend op zaal te laten hangen. Vele collecties van vooral universiteiten werden van een grote schat tot een financiële last.


Volksverheffing als nieuwe bestaansgrond

Als het bij deze veranderingen was gebleven dan was het waarschijnlijk met vele collecties niet goed afgelopen. Gelukkig diende zich aan het einde van de 19e eeuw een andere bestaansreden voor de musea aan. Nadat aan het begin van de 19e eeuw de hogere burgerij zich had geëmancipeerd begon ook het lagere volk zich in de loop van die eeuw steeds meer te roeren. En onder invloed van sociale bewegingen en een stijgend opleidingsniveau maakten steeds meer mensen aanspraak op macht en invloed. Het kiesrecht ontwikkelde zich van censuskiesrecht naar algemeen kiesrecht. Eerst alleen voor mannen en later ook voor vrouwen. Als iedereen recht van spreken heeft is het natuurlijk wel belangrijk dat we elkaar begrijpen en dezelfde taal spreken, als beschaafde mensen. Musea gingen een rol spelen in het beschavingsoffensief! Musea gingen mensen opvoeden tot betere burgers.

De pure wetenschap trok zich geleidelijk terug binnen de muren van de universiteiten. In de musea stelden de wetenschappelijk medewerkers zich tot doel de eigen collectie te bestuderen, in toenemende mate met het oog op de presentatie voor het publiek. Een gevolg was dat in de loop van de 20e eeuw steeds minder objecten opgesteld stonden in de museumzalen. Immers, als het niet meer gaat om de wetenschappelijke vergelijking van objecten maar om het vertellen van een overtuigend verhaal dan kun je volstaan met veel minder objecten. De bezoeker wordt niet afgeleid van het verhaal door een veelheid van objecten. Dat helpt bij de concentratie. Waar in de 19e eeuw de museumzaal depot en presentatieruimte tegelijkertijd was werden in de 20e eeuw de tentoonstellingszalen van de depots gescheiden. De openingstijden werden verruimd en het werd steeds belangrijker voor musea om publiek te trekken. De tentoonstellingen werden professioneler, net als het educatief werk. In de loop van de 20e eeuw werd het voor scholen vanzelfsprekend dat een bezoek aan het museum onderdeel uitmaakte van het schooljaar. Alhoewel sommige museumprofessionals nog dachten dat musea er voor de kennis en de wetenschap waren, was de voornaamste taak de verheffing van het volk geworden. En dat was precies de reden waarom overheden de financiële verantwoording namen voor steeds meer musea. Daarmee zijn het typisch maatschappelijke instellingen: ze komen oorspronkelijk voort uit het particuliere initiatief maar worden tegenwoordig vooral door de overheid gesteund.

Maar wat is er dan veranderd in de laatste paar jaren? Waarom maakt de overheid die terugtrekkende beweging? Heeft de overheid het geloof in het beschavingsoffensief verloren? Of is het beschavingsoffensief misschien voltooid? Om die vraag te beantwoorden moeten we kijken naar de grote veranderingen in de samenleving. De opkomst van de musea in de 19e eeuw hing samen met de opkomst van de burgerij en daarmee van de bestudering van kunsten en wetenschappen. De reden dat de overheid musea ging steunen had zoals gezegd te maken met de emancipatie van de lagere burgerij en de wens om die burgerij te verheffen. Wat is er gebeurd dat de overheid nu lijkt te aarzelen?


De opkomst van de informatiesamenleving

De grote verandering van de afgelopen jaren is de opkomst van de informatiesamenleving. Iedereen staat voortdurend met iedereen in verbinding en iedereen heeft met een paar swipe-bewegingen toegang tot vrijwel alle denkbare kennis in de wereld. Een jonge man van nog geen twintig jaar oud, ergens in Noord-Afrika, met een tweedehands smartphone, heeft toegang tot meer kennis dan de president van de Verenigde Staten twee decennia geleden. De hedendaagse mens haalt zijn kennis en informatie overal vandaan. Informatie is van een schaars goed in de 19e eeuw tot een uiterst overvloedig goed in de 21e eeuw geworden. Informatie is tegenwoordig een commodity. Dat heeft grote gevolgen voor de oude hiërarchische relaties in de samenleving. Autoriteiten worden niet meer vanzelfsprekend erkend. Ook de autoriteit van het museum is aan erosie onderhevig. Het volk zal zelf wel uitmaken of het verheven wil worden. Daarmee komt de beschavingsopdracht ten einde en daarmee wordt de belangrijkste legitimatiegrond voor de financiering van musea aangetast. Want als we niemand meer hoeven te verheffen, waarom moet er dan nog zoveel geld naar musea?

De informatiesamenleving is natuurlijk niet alleen door internet veroorzaakt. De opkomst van radio, televisie en andere massamedia hebben het pad geëffend. En ook het vanzelfsprekende belang van musea voor de volksopvoeding is al eerder aan het wankelen gebracht. Al vanaf de jaren tachtig van de twintigste eeuw zie je dat overheden telkens andere argumenten gebruiken om kunst, cultuur en musea te steunen. De ene keer is de kunst glijmiddel voor de economie, een andere keer dienen musea om achtergestelde bevolkingsgroepen bij onze cultuur te betrekken en dan weer is het museum er om het regionale cultuurtoerisme te stimuleren. Ook komt het voor dat men wijst op het 'intrinsieke belang van de autonome kunstontwikkeling'. Afhankelijk van de gebruikte argumenten passen overheden de criteria aan waarop musea 'afgerekend' worden. Kwalitatieve parameters zijn niet meer genoeg. Steeds vaker komt de nadruk te liggen op dingen die je kunt kwantificeren. Dat je zoveel schoolkinderen hebt ontvangen; dat er weer meer bezoekers zijn geweest; dat je een hoger eigen inkomstenpercentage hebt gerealiseerd of dat je zoveel toeristen naar de streek hebt getrokken die een geschat bedrag bij de middenstand hebben uitgegeven. Allemaal prachtige cijfers, maar de kern ontbreekt. Omdat musea geen breed gedragen kwalitatieve bestaansreden meer kunnen noemen nemen overheden hun toevlucht tot kwantitatieve argumenten.


De zoektocht naar inspiratie

Nogmaals, waartoe dienen musea nu ze niet of nauwelijks nog voor de kern van het wetenschappelijk bedrijf relevant zijn en nu ze niet meer nodig zijn voor een beschavingsoffensief? Wat is de functie van musea aan het begin van de 21e eeuw? Een tijd waarin kennis, beelden en impulsen de mensen steeds meer overspoelen? Er zijn museummedewerkers die zich deze vraag regelmatig stellen. Anderen hebben helemaal niet door dat de wereld is veranderd en waarom de antwoorden uit vorige eeuwen niet meer voldoen.

En dat terwijl het antwoord zo simpel is. Want waarom komen mensen, geheel vrijwillig, naar musea? Omdat ze iets mee willen maken, omdat ze iets moois willen zien, omdat ze een heerlijke dag uit willen, omdat ze hun blikveld willen verruimen! Kortom: omdat ze geïnspireerd willen worden! Dat is wat we belevingswaarde noemen. Mensen willen niet verheven worden want dat zijn ze al. Ze komen voor de schoonheid, de verrassing, de bevestiging, de stilte, de rust, voor ontregeling, voor begrip en voor dingen die ze niet eerder meemaakten. Het museum van de 21e eeuw is het museum in de communicatiesamenleving en het museum van de netwerksamenleving. In de 21e eeuw – de eeuw waarin kennis en informatie ons overspoelen – kunnen musea een inspirerende omgeving bieden. Een omgeving waarin wij onze wereld met frisse ogen kunnen bezien, waarin we geïnspireerd worden om een kwestie van een andere kant te bekijken, geïnspireerd om een boek te lezen, een gesprek aan te gaan, een gedachte uit te werken, geïnspireerd om simpelweg te genieten, te leven en te beleven. Mensen komen niet meer omdat de maatschappij zegt dat het goed voor ze is maar omdat ze er zelf voor kiezen. Die mensen zoeken inspiratie.


Objectiveren en subjectiveren

Nu we weten wat de opdracht van musea in de 21e eeuw is moeten we kijken hoe we die opdracht effectief kunnen invullen en welke rol onderzoek daarin speelt. Wat voor soort onderzoek hebben we nodig? En als we over onderzoek spreken hebben we het dan over het wetenschappelijke onderzoek zoals je dat aan de universiteiten vindt? Het soort onderzoek dus waarbij een wetenschapper de waarheid probeert te achterhalen en waarbij hij streeft naar objectivering, naar een waardevrije interpretatie van de feiten die hij verzamelt? Waardevrijheid en objectiviteit zijn natuurlijk een illusie, ook in de wetenschap, maar de wetenschapper probeert wel zo rationeel en afgewogen mogelijk te werk te gaan.

Dat is heel wat anders dan wat je in de dagelijkse praktijk van musea ziet. Daar kiezen we een invalshoek, daar lichten we er een bepaald aspect uit. Een aspect dat we interessant genoeg vinden om in de spotlight te zetten. De curator kiest. Dat is zijn werk. Door te kiezen creëert of versterkt hij betekenis. Betekenis is het samenstel van kennis en waarderingen die onze relatie met een fenomeen of object in de buitenwereld bepaalt. Betekenis is fluïde en verandert door nieuwe kennis en nieuwe waarderingen. Het museum biedt een context aan een bepaald onderwerp of een serie objecten. In moderne terminologie gesteld: het museum oordeelt en waardeert en daarmee 'framed' het de bezoeker. Waar de universitair medewerker probeert te objectiveren daar subjectiveert de museummedewerker. Daarmee is niet gezegd dat het museum een loopje neemt met de werkelijkheid. Nee, het museum gebruikt wel degelijk de objectief verifieerbare feiten, maar het museum kiest datgene eruit waarmee het een betekenisvol of inspirerend verhaal kan vertellen. Anders wordt het saai. De universitair onderzoeker heeft misschien minder oog voor die complete amfoor uit de Romeinse tijd dan voor die potscherf uit de tijd van de Etrusken. Het museum kiest voor de complete amfoor omdat het daarmee het verhaal inspirerender kan vertellen. Potscherven zijn saai, zeker als je ze gang na gang in grijze vitrines laat zien. Het werk van de curator en de 'echte' wetenschapper is weliswaar niet tegengesteld maar ook zeker niet identiek. Dat komt door de verschillende doelen die ze nastreven. Of zouden moeten nastreven want laten we wel wezen, de meeste wetenschappelijk medewerkers bij musea willen het liefst voor vol worden aangezien, als 'echte' wetenschappers.

Maar dat is niet verstandig. Laten we met de nieuwe onderzoeksagenda helderheid creëren. De universiteiten zijn er voor de waardevrije wetenschap en de musea zijn er voor de waardering. Dat komt voort uit hun bestaansreden en laten we die verschillend georiënteerde vormen van wetenschap en interpretatie niet door elkaar halen, want dan loop je het risico op gemankeerde wetenschap en kreupele musea.


Een slim krachtenveld organiseren

Nu we dit zo helder gesteld hebben is het tijd voor de nuances. Een in theorie kloppend model is aardig maar de werkelijkheid is altijd te complex voor een simpel model. De eerste vraag is dan: kan het echt niet, zuivere wetenschap binnen de museummuren? Natuurlijk kan het wel. Bij sommige instellingen gebeurt het ook nog altijd. Het bovenstaande is bedoeld om aan te geven dat het subjectiverende werk van musea wezenlijk anders georiënteerd is dan het objectiverende werk van de pure wetenschapper. Te lang zijn die twee verschillende geaardheden onvoldoende van elkaar onderscheiden. De voortdurende vraag zal dus blijven of het wenselijk is dat de zuivere wetenschap een plaats blijft houden binnen (sommige) musea. Wat is de meerwaarde boven de meestal logischer plek van een universiteit? Daar dient het museum met regelmaat een helder antwoord op te kunnen geven.

Daarnaast is er natuurlijk de kwestie dat je om je werk goed te kunnen doen als waarderend curator natuurlijk wel kennis moet hebben van de nieuwste wetenschappelijke inzichten. Intensieve samenwerking tussen musea en universiteiten is dus van groot belang en moet waar mogelijk gestimuleerd worden. Daardoor ontstaat een prachtig krachtenveld waarin de wetenschapper een waar of tenminste hoogst genuanceerd beeld probeert te schetsen en waarin de curator er de meest betekenisvolle en inspirerende zaken uitlicht. Juist door die samenwerking leren beide specialisten begrijpen vanuit welke achtergrond de ander redeneert en daarmee krijgen ze ook een scherper beeld van hun eigen rol en beweegredenen. Wetenschappers hoeven dus niet een in hun ogen simplistische voorstelling van zaken te geven en curatoren hoeven geen gortdroge verhalen te schetsen maar mogen de meest inspirerende en betekenisvolle aspecten eruit lichten.

Wetenschappers geven vaak aan dat zij hun werk creatief vinden. Creatief binnen de door de wetenschappelijke discipline bepaalde grenzen. Museummensen gaan verder, zij moeten de in potentie meest betekenisvolle zaken er uit lichten en die zo bewerken dat ze maximaal effect sorteren. Want hoe meer kennis ieder individu onder handbereik heeft hoe groter de behoefte aan duiding is. Zonder duiding verdrinken we in de informatie.

De belangrijkste aanbeveling voor de onderzoeksagenda daarom is dat musea hun 19e eeuwse hang naar objectiviteit verlaten en dat ze een op feiten gebaseerde subjectiviteit omarmen. Musea kunnen alleen betekenisvol zijn als ze zich richten op de interpretatie van de wereld, op het maken van uitsnedes. In musea gaat het om waarderen, opiniëren en duiden. Alleen zo kunnen ze inspirerend zijn en de belevingswaarde maximaliseren.



Naschrift

Op 24 april faciliteerde de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed te Amersfoort een studiebijeenkomst over de komende onderzoeksagenda. Uitgebreid werd van gedachten gewisseld over het verschil tussen de objectiverende impulsen van de wetenschapper en de subjectiverende opgave van de museumcurator. In die bijeenkomst werden twee verschuivingen in het museumveld genoemd die sterk samenhangen met de veranderende rol van het museum: van een instelling die doceert naar een instelling die inspireert. De eerste verschuiving die we die middag bespraken had betrekking op de discussie over echt en onecht, ofwel het verschil tussen nep en authentiek. Authenticiteit is misschien wel de grootste schat die de musea koesteren. 'Wij hebben échte spullen en die échte spullen geven ons een voorsprong op andere instellingen die dat niet hebben. Daar zullen de mensen altijd voor terugkomen.' Het lijkt zo'n onvermijdelijke logica maar toen we daar over doordachten rees de twijfel. Immers, als we die 'echte' objecten technisch exact kunnen namaken, waardoor je het verschil werkelijk niet meer ziet, waarom zouden we dan nog naar het museum gaan voor die andere 'echte' werken? Beklijft de sensatie van echtheid dan wel? Ook over 2 of 3 generaties? Het is opvallend hoe vaak musea de laatste tijd reproducties ter ondersteuning van hun verhaal gebruiken. Wat 15 jaar geleden ondenkbaar was gebeurt steeds vaker. 'Tutankhamun, the exhibition' in Amsterdam Expo behoorde met 178.000 bezoekers tot de best bezochte tentoonstellingen van de afgelopen jaren. Daar zat niet één authentiek object bij. Wat is authentiek, hoe ontwikkelt dat begrip zich en wat zijn de gevolgen voor musea? Hoe kunnen ze er gebruik van maken?

De tweede verschuiving waarover we spraken op die 24e april betrof de veranderende rol van de bezoeker. De 20e eeuwse museumbezoeker die toegelaten werd tot de zalen met verheven kunst diende zijn mond te houden en op te letten, om de kennis die het museum hem voorzette goed tot zich te kunnen nemen. Die rol is aan het kantelen. De hedendaagse bezoeker lijkt zich te ontwikkelen van een passieve kennisabsorbant (vergeef me het mooie woord) tot een actieve deelnemer en soms zelfs creator. Er zijn voorbeelden te over. Kijk naar het Textielmuseum met zijn textiellab waar jaarlijks honderden kunstenaars en ontwerpers komen experimenteren met de nieuwste technieken en kijk naar het Glasmuseum met z'n glaslab waar kunstenaars nieuwe werken maken en waar kinderen komen kerstbalblazen. Kijk naar het Centraal Museum waar bezoekers in werkplaatsen zelf aan de slag kunnen. Of kijk naar Rijksmuseum Twenthe waar de openingen van tentoonstellingen drukbezochte salons zijn geworden, vol debat, voorstellingen en inloopworkshops. Musea worden weer plekken waar niet alleen kennis wordt overgedragen maar waar ook gediscussieerd en gecreëerd wordt. Heeft dit alles te maken met de bredere verandering van de museale taakopvatting, zoals eerder beschreven? Of zijn er ook andere oorzaken aan te wijzen? Gaat het museum hiermee een renaissance tegemoet als een leer- en weetkring zoals het die had in de 18e en 19e eeuw? Of zal het die rol verliezen aan instellingen zoals bibliotheken, onderwijsinstellingen of ad hoc-initiatieven die zichzelf zoveel makkelijker dan vroeger digitaal organiseren? Moet het museum zich nog wel beperken tot dat ene fysieke onderkomen? Zal het zich beperken tot de eigen collectie? Wat is er nodig om beter in te kunnen spelen op allerlei maatschappelijke ontwikkelingen? En ultiem: waarom stroomt het museum niet voor de samenleving uit?

De aktuele onderzoeksvraag voor musea is niet hoe we de traditionele museumtaken ietsje beter vervullen maar hoe hoog we durven te vliegen! Laat de onderzoeksagenda vooral een innovatieagenda zijn.


Verder lezen:

Over de informatiesamenleving:

Alessandro Barrico, De Barbaren, 2010


Over stagnatie en vernieuwing:

Clayton Christensen, The Innovator's Dilemma, 1997


Over creativiteit:

Richard Florida, The Rise of the Creative Class, 2004


Over leven als kunstvorm:

Seth Godin, The Icarus Deception - How high will you fly, 2012


Over alles wat mag:

Friedrich Nietzsche, De vrolijke wetenschap, uitgave 2003


Over beleving en belevenis:

Joseph Pine en James Gilmore, De beleveniseconomie, 1999


Over wetenschap:

J.J. Voskuil, Het Bureau, 1996-2000 (alle zeven delen)

blog comments powered by Disqus
doorArnoud Odding datum20.05.2015