Rijksmuseum Twenthe - Het kunstmuseum van Enschede

Restauratie Portret Holbein - Dag 5

De vernisafname gaat voort…. Hieronder een foto in ultraviolet straling. Waar het vernis nog aanwezig is, fluoresceert blauw.   

Door restaurator Feroza Verberne-Khurshid 

En in normaal licht:


Op deze foto, het linker deel van het gezicht is nog niet ontdaan van de vernislaag. Rechts wel. Hier zijn ook de oude vullingen te zien. De verflagen zijn ook vrij sleets.


Intussen ben ik naar het Mauritshuis gegaan en mocht ik de documentatie over de restauratie van het Portret van Robert Cheseman, 1533, inzien. Het was erg fijn om het onderzoeksrapport en de foto’s van de verfmonsters te kunnen vergelijken. 


Wat wordt bedoeld precies door onderzoek en verfmonsters?

Globaal zijn er twee groepen onderzoekstechnieken: ‘niet destructief’ en ‘destructief'. Er wordt over ‘niet destructief’ onderzoek gesproken als het kunstvoorwerp niet wordt aangetast. Het kan echter voorkomen dat wanneer ‘niet destructief’ onderzoek onvoldoende informatie oplevert, ook ‘destructieve’ onderzoeksmethode worden gebruikt, waarbij bijvoorbeeld minuscule verfmonsters worden genomen en verder wetenschappelijke onderzoek zal voortvloeien. Vanzelfsprekend wordt er altijd met ‘niet destructief’ onderzoek begonnen. 


Onder ‘niet destructieve’ onderzoekstechnieken vallen het kijken met het blote oog of met behulp van apparatuur zoals een stereomicroscoop. Het kijken met het blote oog is altijd het uitgangspunt bij onderzoek. Op basis van deze bevindingen, kan verder onderzoek plaatsvinden. Naast normaal licht en kunstlicht, kunnen verschillende andere lichtbronnen gebruikt worden, bijvoorbeeld:

- Strijklicht. Door de lichtbron langs het oppervlakte te laten schijnen kan men de textuur van het verfoppervlakte onderzoeken. Met deze techniek wordt opstaande verf ook beter zichtbaar.

- Doorvallend licht. In dit geval is een lichtbron achter een object geplaatst. Hierdoor worden barsten en verfverlies zichtbaar, maar de schildertechniek kan ook duidelijker zichtbaar worden. Het gaat zonder zeggen dat doorvallend licht niet voor panelen gebruikt kan worden.

- Ultraviolet (UV). Sommige materialen fluoresceren in UV, zoals vernis (zie foto hierboven). UV kan ook dienen om oude restauraties te onderscheiden; deze lichten vaak heel anders op dan de oorspronkelijke verflaag.

- Infrarood

- Röntgenfotografie, dat word bij schilderijenonderzoek ingezet om materialen onder de zichtbare verflagen te bekijken.


Na het kijken met het blote oog is meestal de volgende stap het bestuderen van het oppervlak van een kunstwerk onder een stereomicroscoop waarbij het oppervlakte kan tot x40 vergroot worden en veel details van het oppervlakte kunnen bestudeerd worden.


Alle bovengenoemde onderzoekstechnieken zijn ‘niet destructief’: het materiaal van de kunstwerk wordt niet aangetast. ‘Destructief’ onderzoekstechnieken worden gebruikt om verdere informatie in te winnen bijvoorbeeld over de materialen of over de opbouw van een kunstwerk. Bij ‘destructieve’ onderzoeksmethodes, wordt altijd een monster uit een object genomen. Onder destructieve onderzoeksmethodes vallen onder andere de volgende: dwarsdoorsnede van verfmonsters, microchemische testen, instrumentele onderzoeksmethode, SEM, infrarood spectrometrie, chromatografie, röntgenfluorescentie en veel meer. Je kunt hierover meer lezen in het boek dat in het boek ‘De kunst van het bewaren. Restauratie en Conservering van kunstvoorwerpen’ die door Waanders is gepubliceerd ter gelegenheid van de zo genoemde tentoonstelling die heeft in het RMT plaatsgevonden in 2004. Ook op het Internet zijn bronnen hierover te vinden – bijvoorbeeld: Onderzoekstechnieken, uitgevoerd bij de Rijksdienst Cultureel Erfgoed in Amsterdam


‘Niet destructieve’ onderzoekstechnieken worden bij het begin en tijdens restauratie projecten altijd gebruikt. Vaak worden ‘destructieve’ onderzoeksmethodes gebruikt indien de ‘niet destructieve’ technieken onvoldoende informatie opleveren of in het geval dat de restaurator vermoedt dat sommige materialen gebruikt in het kunstwerk negatief beïnvloedt zouden kunnen worden door een behandeling. Indien er onderzoek wordt gedaan naar de techniek van een kunstenaar, wordt soms het hele scala van onderzoekstechnieken gebruikt. Onderzoek naar technieken valt onder de benoeming ‘technisch kunstgeschiedenis’ – kunsthistorici en restauratoren werken dan nauw samen. Een goed voorbeeld van 'technische kunstgeschiedenis'  is de kwestie hieronder. 


Wijzingen in het formaat van het portret van Richard Mabott?

De bovenrand van het paneel is enigszins onregelmatig en bobbelig. In tegenstelling zijn de zijranden en de onderrand scherp afgezaagd. Dit leidt tot de vraag of dit het originele formaat van het paneel is. Zou het kunnen dat in der loop der tijd de formaat van het werk is gewijzigd?Aan de bovenrand van het paneel is de verf niet beschadigd. Langs de zijranden en de onderrand zijn de verflagen afgebrokkeld tot en met de grondering. Dit soort beschadiging zou inderdaad door het afzagen van de randen van het al beschilderd paneel veroorzaakt kunnen zijn. Daarnaast, is te zien dat het kruis op de kleding erg dicht bij tegen de onderrand zich bevind. Als je de compositie bekijkt in zijn algeheel, dan valt het op dat het kruis op de kleding erg dicht tegen de onderrand aan zit. 



Holbein en de afbeelding van handen in zijn portretten

Meer op kunsthistorisch onderzoek gebied en zoals opgemerkt door Suzanne Sanders in haar essay van 2012 (Onderzoekswerkgroep II, Middeleeuwse kunst, Universiteit Utrecht), is het ook bijzonder dat Mabotts handen niet zijn afgebeeld.

(Scriptie te vinden op: http://dspace.library.uu.nl/handle/1874/237092). 


Susanne Sanders merkt op in haar essay dat: ‘in praktisch alle op paneel geschilderde portretten die Holbein in zijn carrière heeft vervaardigd de handen van de geportretteerden te zien zijn. Bijna altijd houden ze iets vast dat aan hun functie of privéleven refereert’.

Hierbij een aantal foto’s’ die dit illustreren (allemaal gevonden op: http://www.hans-holbein.org)

  


Of zijn de schilderijen ‘zonder handen’ schetsen?

Volgens Suzanne Sanders: ‘Op Holbeins voorstudies zijn de handen echter bijna nooit afgebeeld omdat over het algemeen standaardmodellen volstonden voor de weergave ervan. Als Mabotts portret inderdaad door een navolger is gemaakt… kan deze zijn uitgegaan van zo'n studietekening zonder handen.’


In de volgende afbeelding (http://www.hans-holbein.org) zijn geschilderde portretten van Holbein, met daarnaast voorbereidende schetsen.


In ieder geval, een hoog gehalte van detectivewerk is nodig in restauratieonderzoek, kunsthistorisch onderzoek en technische kunstgeschiedenis! Restauratoren en conservatoren ondersteunen elkaar in het veld van onderzoek en het blijft een voortdurend spannend proces!