De tentoonstelling ‘Onderweg naar Bentheim’ toont met ruim 35 werken Twente door de ogen van Ruisdael, Hobbema en Waterloo en nog vele andere kunstenaars uit die tijd.
Twente als inspiratiebron
In 1604 moedigt de Haarlemse schilder en kunsttheoreticus Karel van Mander in zijn bekende Schilder-boeck jonge kunstenaars aan om de stad uit te gaan en het landschap te observeren. Schilders moeten volgens hem tekeningen maken, om deze vervolgens in het eigen atelier uit te werken tot schilderijen. Dit advies wordt door vele jonge landschapskunstenaars gedurende de zeventiende eeuw opgevolgd. Op zoek naar geschikte, schilderachtige motieven trekken zij vanuit diverse plaatsen het land door, op zoek naar geschikte vergezichten, rivierlandschappen en bossen.
Ook de provincie Overijssel, de regio Twente en de Nederlands-Duitse grens behoren tot de bestemmingen van de landschapskunstenaars. Dit moet een moeilijke tocht zijn geweest. Struikrovers waren een bekend probleem en de wegen waren modderig en slecht. Dit weten we onder andere door een reisverslag van een bezoek van Cosimo de’ Medici, Groothertog van Toscane, aan de regio in 1668. Zijn biografen schrijven dat de wegen in de Twentse regio moeilijk begaanbaar waren, dat de herbergen oncomfortabel waren en dat er voor de deuren van stadsboerderijen vele mesthopen lagen.
Toch kiezen onder anderen Jacob van Ruisdael, Nicolaes Berchem en Meindert Hobbema voor het Nederlands-Duitse grensgebied om inspiratie op te doen. Ruisdael schildert meermaals Kasteel Bentheim, tien kilometer over de grens bij Oldenzaal, de watermolens bij Singraven en een gezicht op Ootmarsum. Daarnaast tekent hij het landschap. Zo lijkt hij de dubbele watermolen van Huis Singraven ook meermaals te hebben geschetst en maakt hij tekeningen van de vakwerkhuizen die hij onderweg tegenkomt.
Tekenreizen in de achttiende eeuw
Een halve eeuw na Ruisdael trekken kunstenaars nog altijd naar het oosten van Nederland. Zo ook Cornelis Pronk, die samen met Abraham de Haen (II) en Andries Schoemaker in 1732 door Overijssel trekt om de landhuizen in de regio vast te leggen. Samen brengen ze duidelijk herkenbare monumenten van Twente in beeld. Deze tekeningen tonen nog steeds bestaande landhuizen en havezaten en werden bovendien verzameld in de Atlas Schoemaker. De werken van Pronk en De Haen zijn bijzondere documenten die de Twentse regio in de achttiende eeuw overtuigend in beeld brengen.
Over de tentoonstelling
De zeventiende-eeuwse tekeningen van het Twentse landschap tonen hoe reeds in deze periode kunstenaars soms en plein air, soms op groot formaat, de wereld om hen heen als onderwerp kozen en het glooiende, bosrijke landschap vereeuwigden in kunstwerken. Daarnaast toont de tentoonstelling hoe het Twentse landschap, lang na het bezoek, de kunstenaar blijft inspireren in zowel de teken- als de schilderkunst.
De tentoonstelling is een samenwerking tussen Rijksmuseum Twenthe en het RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis. De getoonde werken variëren van schetsboekjes tot tekeningen op groot formaat en landschapsschilderijen.
Schetsend naar Bentheim
Voor volwassenen en kinderen is er een speciaal schetsboekje ontworpen met leuke teken- en
kijkopdrachten, die zowel in de tentoonstelling als buiten gedaan kunnen worden. Het schetsboekje is voor €2,- verkrijgbaar in de museumwinkel (inclusief twee tekenpotloden).
Fietsroute Reizen met Ruisdael
In samenwerking met Landschap Overijssel is er een fietsroute uitgezet langs verschillende prachtige locaties. Deze locaties zijn terug te vinden op de werken in de tentoonstelling. De route is verkrijgbaar in het museum.